De Podcast (Flopcast) met topondernemer Hugo Vandamme…

hugo Vandamme

Ziehier één van onze allereerst podcasts die je nooit te horen kreeg. Het was nochtans een topper…!

Stel je voor dat je vandaag een boek schrijft over hoe je de toekomst ziet. En 22 jaar later – in het jaar 2042 dus – komt iemand naar je toe die vraagt om jouw visie en voorspellingen uit het boek te evalueren…

Een gek idee?

Toch is het precies wat ik vlak voor Corona deed toen ik het boek ‘Ik zie het weer zitten’ van Hugo baron Vandamme had gelezen. De ex-CEO van Barco schreef het in 1998: in woelige tijden, nog voor de Euro was ingevoerd en op het moment dat de sluiting van Renault Vilvoorde België op zijn grondvesten liet daveren. In zijn boek formuleerde Hugo Vandamme de pijnpunten en oplossingen die hij toen zag. Op vlak van onderwijs. Op vlak van economie. Op vlak van wetenschap. Op vlak van marketing.

Ik stelde me de vraag: hoe zou het nu zijn met Hugo Vandamme? En kijkt hij tevreden terug naar wat de voorbije 20 jaar is gerealiseerd? Hoe ziet hij de toekomst vandaag?

Dus nodigde ik hem uit voor wat mijn allereerste podcast moest worden. Bij ons in de Mex Loft. Helaas: de podcast werd een flopcast (vanwege technische problemen). Maar gelukkig hadden we het interview ook gefilmd. Het werd een onvergetelijk gesprek. Boeiend. Leerrijk. Relativerend. En motiverend. Met een man van 75 jaar die nog niets van zijn gedrevenheid en honger naar kennis heeft verloren…

Lees, leer, en geniet…

Kurt Ostyn


 

K: Toen u dit boek schreef, had u de leeftijd die mijn vennoot Cis en ik nu hebben. Dat is een leuke gedachte. Ik was daarom heel blij dat u positief reageerde op mijn uitnodiging om samen naar de toekomst en het verleden te kijken. Maar hoe gaat het vandaag met u?

H: Ik kijk nog altijd met veel interesse naar de toekomst en hoe alles evolueert. In mijn Barcoperiode reisde ik de wereld rond, waardoor ik steeds een klare visie had van wat er in de wereld gebeurde. Nu reis ik minder, maar ik probeer af en toe nog eens naar Azië of Amerika te gaan. Ik zie daar dat de wereld sterk aan het veranderen is, maar dat ook Vlaanderen positief evolueert. Laat me eerst zeggen dat ik mijn boekje nog eens doorgenomen heb, naar aanleiding van uw uitnodiging. Ik schreef het 20 jaar geleden en sindsdien heb ik het eigenlijk ook niet meer gelezen. Ik ben vooral erg ontgoocheld dat het onderwijs niet geëvolueerd is zoals ik gehoopt had. Maar toch zijn er een paar evoluties in Vlaanderen waar ik optimistisch over ben, zoals het ondernemerschap bijvoorbeeld.  Vandaag ben ik vooral ongerust over de evolutie van Europa. Ik ben altijd een zeer grote voorvechter geweest van de EU, ik ben dat nog steeds. Maar nu maak ik me zorgen, als ik zie hoe de wereld evolueert. Er zijn gebieden waar de wereld een grote concentratie krijgt zoals Azië en wat ik de ‘Nieuwe Zijderoute’ noem. Dat is van Turkije en Azerbeidzjan helemaal tot Iran, India en zelfs China. Daar komt de klemtoon van de wereld te liggen. Daartegenover heb je Verenigde Staten die nog altijd heel sterk zijn. Maar wat is sterk? Wat ik vooral merk is dat Europa onvoldoende in dat gevecht voorkomt.


“Vandaag ben ik vooral ongerust over de evolutie in Europa.”


K: Vindt u dat beangstigend?

H: Dat is een zorg voor mij. Natuurlijk vind ik het bijvoorbeeld een goede doelstelling van Europa om te werken rond het klimaat. Het is ook een belangrijk thema wereldwijd. Maar de vraag is of in die strijd tussen de ‘Nieuwe Zijderoute’ en de Verenigde Staten, Europa niet verstikt zal raken? Europa mag dan wel focussen op het klimaat, maar het moet tegelijk ook zeer sterk inzetten op de economie.

K: Zijn dat volgens u twee aparte werelden? Bij de Green Deal, die nu op tafel ligt , kwam heel duidelijk tot uiting dat de uitdagingen voor onze economie juist bij het klimaat liggen? En dan denk ik aan wat u reeds op eersta pagina van uw boek schreef: “In een algemene sfeer van pessimisme voel ik me onbehagelijk, ook als er objectief gezien genoeg redenen zijn om pessimistisch te zijn, zal ik altijd blijven denken tot ik lichtpunten en mogelijkheden, zie waarlangs we een uitweg kunnen vinden”. Heel mooie woorden. Maar dan denk ik meteen: het klimaat is toch nu toch net één van die lichtpunten…?

H: Het klimaat is duidelijk een lichtpunt, maar er is meer dan het klimaat alleen. Daarom volg ik wel de Vlaamse regering in hun visie: “We moeten een evenwichtig beleid voeren rond het klimaat”. Daarover gaat het. Je kan alles inzetten in functie van het klimaat, maar men moet zorgen dat men economisch voldoende sterk wordt. Ik wil er zelfs een element aan toevoegen. Eén van onze zwakke punten, en ik heb dat ik ook 20 jaar geleden in mijn boek geschreven, is dat Europa geen militaire grootmacht is. Iedereen weet dat China, maar ook de landen daarrond -zoals India- militaire grootmachten zijn. Ook de VS is een militaire grootmacht. Maar waar staat Europa op militair vlak? Nergens. ‘Dankzij’ Trump, is Europa nu verplicht om te investeren in het militaire apparaat. Ik heb hoop dat Europa in de komende 20 jaar wel een militaire grootmacht wordt, want zonder militaire power heb je geen macht. Dat is belangrijk met de huidige tweestrijd, met aan de ene kant de ‘Nieuwe Zijroute’ met China en aan de andere kant de VS. Je kan pas meetellen als je macht hebt. Je bent maar bang van iemand als die macht heeft. Dat is altijd al zo geweest. Je kan zoveel dreigen als je wil, maar als je niets hebt om te dreigen, ziet men achteraf dat het eigenlijk alleen maar bluf was. Vandaar denk ik dat het nodig is dat Europa meer militaire macht krijgt en dat we evenwichtig naar de klimaatproblematiek kijken. Je mag van klimaat een prioriteit van maken, maar Europa moet ook zorgen dat we terzelfdertijd economisch voldoende sterk blijven.


“Ik heb hoop dat Europa in de komende 20 jaar wel een militaire grootmacht wordt, want zonder militaire power heb je geen macht.”


K: U verrast me een beetje. Ik had niet verwacht dat u het militaire aspect zo hoog op de agenda zou zetten. In de politiek en de media hoor ik er de laatste jaren maar weinig over.

H: Dat is een vergissing.

K: Even terug naar het pessimisme dat in 1998 heerste. Er was één zaak waar u opvallend hoopgevend over was, wanneer u schrijft: “Eindelijk gaan de ogen open, het feit dat de bruto loonkosten te hoog zijn, staat plots niet meer ter discussie”. U had er goede hoop op dat de hoge loonkost aangepakt zou worden. Vandaag zijn we meer dan 20 jaar later, en eigenlijk is er niets veranderd…?

H: Dat is inderdaad één van de zaken die onvoldoende aangepakt zijn. De vorige federale heeft op dat vlak wel al serieuze stappen gezet met de tax shift. Voor de eerste keer in 20 jaar is een positieve evolutie bezig. Laten we hopen dat er nog meer stappen gezet worden. Daarnaast ben ik teleurgesteld in de staatsstructuur. Ik had gedacht dat Vlaanderen zelfstandiger zou zijn. En dan heb ik het niet over onafhankelijkheid, maar over een model waarin Vlaanderen meer politieke macht zou hebben, dan nu het geval is. Op dat vlak is er ook bitter weinig gebeurd. Dat komt omdat Vlaanderen bij de eerste staatshervorming zijn wettelijke macht weggeven heeft. Vlaanderen heeft de demografische meerderheid, maar heeft maar 50% van de wetgevende macht in handen. Bij alle belangrijke beslissingen hebben Wallonië en Brussel evenveel beslissingsmacht.

K: Maar als ik kijk naar de bevoegdheden die Vlaanderen wel in handen heeft, zoals onderwijs, cultuur, mobiliteit… Op die bevoegdheden zie ik toch ook weinig verbetering? Wel integendeel…?

H: Het onderwijs is inderdaad een ontgoocheling, maar laten we eerst beginnen met wat lof. Er zijn twee domeinen waar Vlaanderen heel sterk staat: de productiebedrijven en de dienstensector. De productiebedrijven zoals Picanol, Barco en Vandewiele zijn nog steeds enorm creatief, en veroveren met hun innovatieve producten de wereld! De dienstensector is ook goed bezig. Dat was 20 jaar geleden niet het geval. Vooral de softwarebedrijven doen het zeer goed. Maar bijvoorbeeld ook op vlak van biotechnologie horen we bij de wereldtop. Eigenlijk doet Vlaanderen het in zijn geheel economisch goed.


“De productiebedrijven zoals Picanol, Barco en Vandewiele zijn nog steeds enorm creatief, en veroveren met hun innovatieve producten de wereld. ”



Waar we ook sterk staan, zijn onze universiteiten. Leuven behoort tot de top van de wereld. Ook Gent doet het goed. Onze universiteiten en hogescholen zijn heel sterk op het vlak van onderzoek en ontwikkeling. Het is het lager en middelbaar onderwijs waar ik ongelukkig over was, en nog steeds ben. Daar zijn de nodige hervormingen niet doorgevoerd. Daar wil ik het straks zeker nog over hebben. Op een ander domein scoort Vlaanderen ook heel sterk: cultuur. Vlaanderen had al een rijke historie in de schilderkunst, maar dit is nu ook zo in de wereld van de muziek. We hebben wereldartiesten als Philippe Herreweghe en  Jos Van Immerseel met het orkest Anima Eterna. Het Brussels Philharmonic begint stilaan ook tot de top te behoren. Dus we hebben een aantal domeinen waarop we heel sterk staan, maar hebben ook een aantal domeinen die minder goed geëvolueerd zijn. Daar moet aan gewerkt worden.

hugo Vandamme

Baron Hugo Vandamme blijft een inspirerend ondernemer

K: Ik wil even teruggaan naar die universiteiten. Ik las in uw boek het volgende: “Professoren worden te veel beoordeeld op hun publicaties en te weinig op de manier waarop ze effectief die kennis en kunde met goesting overbrengen naar hun studenten”.  Ook dat is toch helemaal niet beter geworden? De druk vanuit universiteiten om zoveel mogelijk studies te publiceren is toch ongezond? We hebben misschien internationaal een grote naam, maar wil dat zeggen dat we goede studenten afleveren?

H: Ik denk dat er ook op dat gebied, een evolutie ontstaan is. Alleen staat die evolutie nog niet ver genoeg. Het publiceren van onderzoeken blijft voor professoren de manier om promotie te maken aan universiteiten. Dat blijft een pijnpunt. Een prof die het zeer goed kan overbrengen naar zijn studenten, maar die nauwelijks publicaties heeft, raakt niet vooruit. Hoe ze dat moeten oplossen, is niet duidelijk niettegenstaande ik zelf ook jaren in de raad van bestuur van een universiteit heb gezeteld. Aan de andere kant zijn die publicaties gebaseerd op onderzoek en ontwikkeling. In die zin is dat toch wel goed. Als we veel publicaties hebben, wil dat zeggen dat we goede professoren hebben die ver staan in onderzoek en ontwikkeling. Dat blijft heel belangrijk. Denk maar aan Imec dat ontstond tijdens het einde van mijn carrière. Imec behoort vandaag tot de wereldtop. Al de biotechnologiebedrijven die toen ontstaan zijn rond de universiteit van Gent, behoren nu ook tot die wereldtop. We mogen daar heel gelukkig over zijn.


De boekenfiche van “Ik zie het weer zitten”
van baron Hugo Vandamme
vind je op de website van boek.be.

Image

Raadpleeg de plaatselijke boekhandel
om het aan te schaffen,
of koop het online bij bol.com.


“Een prof die het zeer goed kan overbrengen naar zijn studenten, maar die nauwelijks publicaties heeft, raakt niet vooruit.”


K: En dan is er nog het lager en secundair onderwijs… Gisteren hoorde ik nog op het nieuws een directeur die het echt kotsbeu was. Hij voelde zich in de steek gelaten door de overheid en zei: “Ze kondigen voortdurend hervormingen aan, maar zeggen nooit hoe je die als directie moet uitvoeren en welke middelen ze hiervoor voorzien. Hoe kan je een huis bouwen als de architect steeds het plan verandert? ”  Het klonk als een echte noodkreet. Die noodkreet hoor ik trouwens al vele, vele jaren van mijn vrienden uit het onderwijs. En ook in uw boek las ik dat er toen al een noodzaak was om meer en regelmatiger te investeren in onderwijs. Hoe komt het toch dat dit zo moeilijk is?

H: Ik ga het nog wat ingewikkelder maken. Er is een evolutie geweest de voorbije 10 jaar waarin het aantal jongeren dat een technische richting volgt, steeds verder afneemt. Daarnaast zien we ook dat het aantal jongeren dat beroepsrichtingen volgt, daalt. Dus minder en minder jongeren willen hun handen gebruiken. En dat is nochtans zo belangrijk. Binnen 10 jaar zullen we in het weekend misschien niet meer naar de bakker of op restaurant kunnen gaan, want mensen willen niet meer werken in het weekend. We leven gewoon in klimaat waar jongeren niet aangespoord worden om iets met hun handen te doen. Bijna elke ouder is geneigd om z’n kind naar het ASO te sturen. Tijdens mijn Barco-carrière heb ik actief gepleit om technische richtingen sterk te promoten. Vroeger wilden ouders hun kind ook al niet naar de vakschool sturen, zo heette het TSO toen. De vakschool stond gekend als de school voor ‘de probleemkinderen’. Dus vrijwel iedereen stuurde toen ook zijn kinderen naar het humaniora. En dat terwijl het humaniora geen enkele finaliteit heeft. Je kan pas iets doen met je humaniora-opleiding als je verder studeert. Als je BSO of TSO volgt, dan heb je aan 18 jaar een vak geleerd en kan je aan de slag. Maar we zijn er toen ook nooit in geslaagd om jongeren meer in technische richtingen te krijgen. Vandaag is dat nog niks veranderd. Daarom pleitte ik er toen voor om in het humaniora een gemeenschappelijk jaar in te voeren. Zo doende dat als jonge mensen zouden aanvoelen dat techniek of mechanica hen ligt, ze in die richting verder kunnen gaan. Aan 12 jaar zijn het de mama’s en papa’s die beslissen wat hun dochter of zoon gaat doen, niet de kinderen.  Aan 14 jaar zou dat een ander verhaal zijn. Dan zouden jongeren veel meer zelf kunnen aangeven wat ze willen. Ik blijf nog steeds achter dat idee van een gemeenschappelijk jaar staan.

K: Dat lijkt toch niet zo onhaalbaar als idee?

H: Nee, maar bij de hervorming van het onderwijs is hierover de voorbije acht jaar een continue discussie geweest tussen verschillende politieke partijen. Uiteindelijk is het er niet doorgekomen. Het is iets waar ik meer dan 20 geleden voor gepleit heb, en vandaag zitten we maar even ver als toen. Er zijn heel wat jongeren die interesse hebben om een vak te leren, maar ze zitten vast in het ASO.


“Er zijn heel wat jongeren die interesse hebben om een vak
te leren,maar ze zitten vast in het ASO.”


K: Ik blader even wat verder in het boek en lees dat de manier bij uitstek om ons te onderscheiden, de creativiteit is.  Je vond ook dat we jongeren van op jongere leeftijd moeten stimuleren om hun creativiteit te gebruiken.

H: Het is duidelijk dat de Vlaming dat wel in zich heeft. Dat is één van onze grootste talenten. Toen ik daarnet verwees naar de domeinen zoals software en diensten die het zo goed doen, dan komt dat ook door een inherente kwaliteit van de Vlamingen: We zijn enorm creatief. We hebben geleerd ons plan te trekken. Als we die creativiteit dan kunnen aanwenden in een positief doel, zijn we heel sterk. Waar die Vlaamse creativiteit vandaan komt, kan ik niet verklaren, maar het is de realiteit. Ik zie ook dat Vlamingen overal ter wereld in internationale organisaties, zorgen voor een modus vivendi tussen de verschillende nationaliteiten. Ik ben lang voorzitter geweest voor de Belgische bedrijven in EuropeanIssuers. Dat is een vereniging van beursgenoteerde bedrijven in Europa. Toen rekende men altijd op mij om de standpunten van de Duitsers en de Fransen te verzoenen. Die hadden altijd tegenovergestelde visies. Het hielp wel dat ik Duits en Frans sprak, maar men doet zo dikwijls een beroep op Vlamingen om ergens de gulden middenweg te vinden.

K: Zijn we die troef niet aan het verliezen? Als je ziet hoe moeilijk de regeringsvorming nu gaat, blijken we die compromissen niet meer te vinden? Zijn we dan nét die belangrijke troef niet aan het verliezen?

H: Die troef zijn we misschien een beetje aan het verliezen als het gaat over de Belgische politiek. De Belgische politiek is eigenlijk een heel ander onderwerp. Vlaanderen en Wallonië willen andere richtingen uitgaan en het is moeilijk om die twee verschillende richtingen samen te brengen. Maar inderdaad op dat vlak hebben we een stuk van onze troef verloren.


“Waar die Vlaamse creativiteit vandaan komt, kan ik niet verklaren. Maar het is de realiteit.”


K: U schreef in uw boek het volgende: “De zware inspanningen die geleverd moeten worden, moeten gezien worden als een langetermijninvestering met opbrengsten die de maatschappij pas vele jaren later zal voelen”. Zit daar niet de essentie van het probleem? Men heeft daar een mooi woord voor: kathedraal-denken. Vroeger werden kathedralen ontworpen door architecten die bij aanvang van de bouwwerken wisten dat ze het eindresultaat nooit zouden zien. Vandaag leven we in een tijd van ‘instant gratification’: alles moet meteen winst en voldoening opleveren. Op die manier kan je toch geen fundamenten bouwen voor de toekomst? En ik ben een beetje pessimistisch, omdat ik geen kathedraaldenkers meer zie op machtige posities. Maar u bent altijd positief gebleven over politici?

H: Ik ben niet zo pessimistisch. Ik denk dat er nog altijd heel wat mensen zijn die denken aan de toekomst. Denk maar familiale ondernemingen, zij denken niet puur aan vandaag en morgen. Zij willen dat de volgende generatie het bedrijf kan voortzetten. Ze investeren in iets voor op de langere termijn. Een familiale onderneming wil iets opbouwen voor de volgende generaties, die denken wel als kathedraaldenkers.

K: Maar elke politicus zou in essentie toch ook zo moeten denken, aan die toekomst van de volgende generatie. Wordt dat nu niet -terecht- verweten aan de huidige politici?

H: Ja, dat is natuurlijk een probleem dat zich vooral voordoet bij jonge politici. Die moeten om de 4 jaar opnieuw verkozen worden. Je kan bijna niet vragen aan jonge politici, die nog maar net hun carrière beginnen, om onpopulaire maatregelen te nemen. Ze zouden dan bij de volgende verkiezingen afgestraft worden. Wel ben ik ervan overtuigd dat ze onpopulaire maatregelen kunnen nemen als ze het belang voldoende kunnen uitleggen aan hun achterban. Er waren ook politici als Willy De Clercq die tijdens de devaluatiecrisis van de Belgische frank, ver genoeg stond in zijn carrière om harde beslissingen te kunnen nemen. Dat is eigenlijk het probleem bij politici: als men jong is, kan men niet aan die lange termijn denken.


“Dat is eigenlijk het probleem bij politici: als men jong is, kan men niet aan de lange termijn denken.”


K: Je spreekt over de Belgische frank, voor de jongere luisteraars is dat waarschijnlijk heel ver af. Ik las in uw boek ook dat u twijfels had of België wel klaar was om toe te treden tot die Europese munt?

H: Ik weet niet meer of ik daar echt twijfels over had. Ik geloofde wel in de euro. Ik vond de euro een noodzaak en dat is nog steeds zo. Het zou dramatisch zijn, moesten we ons als klein land terugtrekken. We zouden ons dat niet kunnen veroorloven. We hebben het met Europa zeer moeilijk gehad om die euro te begrijpen. Kijk bijvoorbeeld naar de Amerikanen, die denken: “wij zijn een machtig land met een machtige munt, wij moeten ons niet aanpassen”. Wij Europeanen mogen ook niet meer wakker liggen van de koers van de dollar. Met onze Europese markt en de euro zijn we sterk genoeg om ons van de rest niets aan trekken, alleen hebben de huidige politici dat nog niet genoeg in hun achterhoofd.

K: Hoe ziet u nu de toekomst, los van de euro, als het gaat over Brexit? Als u nu een boekje zou moeten schrijven, wat zou u dan schrijven over de vermoedelijke gevolgen van de Brexit?

H: Wel, persoonlijk denk ik dat Groot-Brittannië er sterker uit zal komen. Ze zijn als land voldoende groot om zich te herstellen. Ze hebben wel niet de macht -zoals wij met de euro- om hun eigen koers te bepalen. Toch denk ik dat zij er kracht gaan uitputten. Ik vergelijk het een beetje met de splitsing van Tsjecho-Slowakije. Tsjechië wou afscheuren, omdat zij economisch sterk waren. Slowakije was de zwakkere regio. Na de opsplitsing zijn ze er allebei sterker uitgekomen. Je kan het vergelijken met jonge mensen die plots op eigen poten moeten staan. In familiale ondernemingen, zegt men vaak “als die zoon het opvolgt, gaat dat nooit lukken”. Plots krijgt zo’n jong persoon dan de leiding en wordt hij of zij een heel andere man of vrouw, en slagen ze er wel in. Dat is wat volgens mij ook zal gebeuren met Groot-Brittannië:  Zij zullen denken: “we zullen het nu ook eens bewijzen”.

K: Ten koste van de Europese Unie?

H: Dat durf ik niet te zeggen, daar heb ik heb onvoldoende zicht op. Die bewijsdrang doet me trouwens denken aan Barco. Toen ik er in 1974 van start ging was dat nog een televisiebedrijf dat op de rand van een faillissement stond. Op dat moeilijke moment is er een ‘nieuwe Barco’ ontstaan, vanuit een enorm streven bij iedereen binnen dat bedrijf: “we gaan eens bewijzen aan die buitenwereld, hoe knap we zijn”. Dat was het gevoel bij iedereen in Barco. Enkele jaren later ging het al heel veel beter, en kort daarna gingen we zelfs naar de beurs. Het kan dus snel veranderen.


“Persoonlijk denk ik dat Groot-Brittannië er sterker uit zal komen. Ze zijn als land voldoende groot om zich te herstellen.”


K: Dat is iets wat ik ook heel mooi vond in uw boek. Uw dankwoord naar uw medewerkers toe. U schreef het volgende: “In China, India of waar ook ter wereld kan men ons proberen te kopiëren, maar de sfeer van Barco zal niemand kunnen kopiëren.” Het doet me denken aan het ‘oneerlijk voordeel’ waar Cis en ik in ons boek over schreven. Zo las ik in uw boek ook over een experiment waarbij u schitterende ingenieurs die al jarenlang op dezelfde afdeling werkten, verplaatste naar een andere afdeling. Dat veroorzaakte aanvankelijk wrevel en verwondering, omdat ze zelf nooit om die overplaatsing gevraagd hadden. Toch kregen ze na verloop van tijd steevast een frisse vonk van nieuwsgierigheid en enthousiasme.

H: Dat is een kwestie van goed inzicht hebben in je medewerkers. Het is belangrijk om contact te houden. ’s Avonds deed ik altijd mijn toer door het bedrijf, waardoor ik wist wat er allemaal gebeurde. Op een bepaald moment zie je dan dat iemand ergens vastzit en geen vernieuwing meer brengt. Aan de andere kant heb je bij een groep jonge mensen die goed bezig zijn, soms een ander probleem. Dat is dat ze zelfvertrouwen missen. Het is goed om iemand daarbij te plaatsen die kan zeggen: “ja dat is een tegenslag, laat ons eens kijken hoe we dat morgen wel herstellen”. Iemand die rustig blijft is ook belangrijk om een tegenslag te overwinnen.

K: Dat “mengen” van generaties is een belangrijk stokpaardje voor u?

H: Anders krijg je die vonken niet. Er is trouwens een verhaal dat ik heel dikwijls vertelde aan medewerkers die bij Barco van start gingen. Ik ging altijd met de nieuwe mensen samenzitten en vroeg hen: “Hoeveel is 1+1?”. Iedereen antwoordde natuurlijk altijd “2”. Ik zei hun: “Jullie hebben te veel wiskunde geleerd. Ik heb nog nooit in mijn leven meegemaakt dat 1+1 gelijk is aan 2. Als je 2 mensen hebt en ze werken niet samen dan heb je misschien zelfs -5 of -10. Als je 2 mensen hebt die heel knap zijn en goed kunnen samenwerken, dan krijg je misschien zelfs een uitvinding die gelijk is aan 10 000.” Ik wou hen dus afleren om te rationeel te denken. Met de juiste combinatie van mensen, vind je de juiste uitvindingen. Een bedrijf als Barco leeft van de uitvindingen. Je mag niet gewoon doorkabbelen. Je moet werkelijk durven gaan voor vernieuwing en daarvoor moet je natuurlijk je medewerkers kennen.


Cis Scherpereel, Hugo Vandamme, Kurt Ostyn


“Jullie hebben te veel wiskunde geleerd.
Ik heb nog nooit in mijn leven meegemaakt dat
1 + 1 gelijk is aan 2.”


K: Nu begrijp ik ook, waarom we bij handdoekenfabrikant Clarysse altijd met een massa mensen aan tafel zaten voor een vergadering. Het was 4 geleden, denk ik, toen we samenwerkten aan de toekomststrategie van Clarysse. Daar hield u vergaderingen met meer dan 20 mensen uit verschillende afdelingen: verkoop, design, marketing, aankoop, logistiek, enz..  Ik dacht toen bij mezelf: “Hoe gaan we dat hier doen?”. Nu begrijp ik de filosofie die hier achter zat, maar ik moet toegeven dat ik wel een paar keer met koppijn naar huis ging… Het vergt heel veel concentratie om naar al die verschillende visies te luisteren, en het ook nog te capteren. Maar het klopt wel dat u daarmee een beter dynamiek bekwam.

H: Je krijgt dan inderdaad een dynamiek, en dat is belangrijk om te hebben in een bedrijf. Iedereen moet altijd op de toppen van zijn tenen staan, enkel zo ga je vooruit als bedrijf. Het is precies die sfeer, die we bij Barco altijd hebben kunnen realiseren en behouden.

K: En dan komen we bij een ander stokpaardje van u:  “Lang leve de 60 jarige”. Dat was een pleidooi voor ervaren medewerkers. Hoe kijkt u daar nu naar?

H: Ik denk daar nog steeds op dezelfde manier over.  Maar je moet wel ‘mee’ blijven. Je kan als dertiger ‘oud’ zijn en je kunt als 70 jarige ‘jong’ zijn. Ik ben er nu 75. Ik ga niet zeggen dat ik jong ben, maar het is een kwestie van continu mee te blijven door de nieuwste ontwikkelingen te bestuderen en boeken te lezen. Dat wil niet altijd zeggen dat je letterlijk moet studeren, maar eerder de actualiteit blijven volgen. Op die manier blijf je mee met wat er gebeurt.

K: Ligt dat moeilijk bij die generatie?

H: Ik denk dat dat bij alle generaties moeilijk ligt. Als een dokter of een ingenieur niet continu de nieuwste technologieën bestudeert, dan is die ook niet meer mee. Je moet die inspanningen blijven leveren en ik denk dat er heel wat zestigers zijn die dat doen. Er zijn dertigers, veertigers, vijftigers die onvoldoende bijstuderen. Ze denken dat ze weten wat ze moeten weten, omdat ze hogeschool of universiteit hebben gevolgd. Maar als zij niet mee blijven, dan zijn zij 10 jaar later ‘out.’



“Er zijn dertigers, veertigers, vijftigers die onvoldoende bijstuderen.
Ze denken dat ze weten wat ze moeten weten omdat ze hogeschool of universiteit hebben gevolgd.
Maar als zij niet ‘mee’ blijven, dan zijn zij 10 jaar later ook ‘out’ .”

K: Verder in uw boek schrijft u ook: “onderzoek en ontwikkeling en het opdrijven van de productiviteit door revolutionaire productieprocessen liggen de Vlaming nog wel, maar op het gebied van design, marketing en creativiteit is er nog veel werk aan de winkel”. U had toen al het inzicht dat bijvoorbeeld een goede handdoek produceren, niet voldoende was. Je moet die handdoek ook verkocht krijgen. Ziet u dat we daar stappen vooruit hebben gezet?

H: We hebben daarin zonder twijfel stappen vooruit gezet, maar dat is nog altijd niet onze sterkste troef. Wij hebben niet de reflex, in tegenstelling tot de Amerikanen, om te denken aan de wereldmarkt. Wij denken eerst aan de Vlaamse of Belgische markt. Daarna kijken we naar onze buurlanden. Pas al het goed gaat, gaan we naar Amerika en Azië kijken. We zijn ook niet de marketeers, die onmiddellijk zoeken naar wat het gat in de markt is, daar dan een product rond ontwikkelen en erop inzetten. In de VS heb je die mentaliteit wel. Er zijn ook heel wat bedrijven daar, die na een paar jaar failliet gaan. En als het misgaat, dan begint men gewoon opnieuw. Ik ben daar in mijn beroepscarrière wel dikwijls mee geconfronteerd geweest, toen we Amerikaanse bedrijven overnamen met Barco. Die bedrijven met hun Amerikaanse mentaliteit hadden doelcijfers voor de hele wereld. Maar het begint altijd met dromen. Dat heb ik ook eens in één van mijn boeken geschreven: “Als je niet kunt dromen, zal je niets kunnen realiseren.” Je moet ergens in je leven durven dromen, en durven hetgeen je droomt te realiseren.

K: Volledig mee eens. Daarom zeggen wij steeds aan onze klanten: “het is niet toevallig dat het woord ‘dromen’ dezelfde letters bevat als het woord ‘ondernemen’”.

H: (Lacht) Daar had ik nog niet bij stilgestaan.

K: Maar het klopt wel dat die bewustwording rond het belang van marketing pas echt voelbaar werd de laatste vijf jaar. Hier bij Mex United zetten wij bewust ook zeer sterk in op de interne marketing bij bedrijven: Mensen echt laten zien en beseffen dat ze unieke troeven in handen hebben… Zeker West-Vlamingen zijn daar te bescheiden in. Ze vinden het niet zo evident om hun oneerlijk voordeel uit te spelen. Ik vond het wel leuk om te lezen dat u ook in 1998 dat inzicht al had en uitdroeg.

H: Weet u waarom ik dat al schreef in 1998? Toen ik bij Barco begon, hadden wij al flat panels. Die hadden ze al van voor ik begon. Flat panels kwamen er pas door in de jaren ’80 maar in Barco hadden wij die al in de jaren 70. Er was gewoon niemand in de wereld die dat wist. Wij hadden trouwens heel wat uitvindingen en innovaties in het labo liggen, waarvan men nooit had onderzocht hoe men ze zou verkopen. Ik had van bij het begin van mijn carrière gezien dat dit één van de zwakke punten was van onze bedrijven. Wij hebben soms een goed product, maar we beseffen onvoldoende wat de commerciële mogelijkheden zijn.


“Wij hadden verschillende uitvindingen in het labo liggen waarvan men nooit had onderzocht hoe men ze zou verkopen.”


K: U schrijft ook in uw boek: “Je moet niet alleen oplossingen brengen voor klanten, je moet ook oplossingen brengen voor zaken waarvan de klant het probleem nog niet ervaart”. Dat is natuurlijk fantastisch, als je dat weet te vinden…

H: Ik heb daar een mooi voorbeeld van, waar we trouwens een Emmy-award in de technologie mee hebben gewonnen. Dat was tijdens het ontstaan van kleurentelevisie. Alle tv-studio’s hadden een testbeeld waarop de lijntjes niet perfect evenwijdig liepen. Dus op een bepaald moment ontwikkelden we in het labo een monitor met een testbeeld waarop die lijntjes wel mooi evenwijdig liepen. Toen stelde ik een team samen met één laborant en enkele verkopers. Ik gaf hen de volgende opdracht: “Jullie gaan nu de wereld rond om televisiestudio’s te bezoeken en te zien wat hun probleem is of waar ze moeilijkheden mee hebben”. Na een jaar de wereld rondgereisd te hebben, kwamen ze tot een interessante conclusie. Niemand lag wakker van die testbeelden met de niet-evenwijdige lijnen… In Afrika hadden ze niet de technische kennis om dat bij te regelen. Dus bleef het maar onevenwijdig. En in Amerika hadden ze dan weer het probleem dat het bijregelen door gespecialiseerde technici moest gebeuren en dus veel geld kostte. Dus ook daar bleven ze maar bij die onevenwijdige lijntjes. Maar niemand had ooit aan Barco gevraagd naar een monitor met een testbeeld dat niet bij geregeld moest worden. En waarom vroeg men dat niet? Omdat ze zich niet konden voorstellen dat daar een oplossing zou voor bestaan. Want een knappe ingenieur heeft onmiddellijk de houding van “moesten we dat nu eens zelf bijregelen”. Voor die uitvinding kregen we dus een Emmy-award en een hele nieuwe generatie van monitoren is daarop gebaseerd. Dat is dus voor een stuk marketing. Gaan kijken wat het probleem van de klant is en kijken van “hoe lossen we dat op?”. Niet door te vragen aan de klant: “welk probleem heb je?”, maar door de klant te begrijpen. Zelf te zien welk probleem hij ervaart en er een oplossing voor te vinden.

K: Als ik u zo bezig hoor, nog steeds vol vuur over al die verschillende thema’s als marketing, onderwijs, economie, wetenschap, …  dan stel ik mij de vraag:  “Had u nooit minister willen zijn?” Ik las ergens in uw boek: “Mocht ik ooit minister willen worden, zou ik minister van onderwijs willen zijn”.

H: Dat wist ik zelfs niet meer.

K: Kriebelt het soms niet? U weet dat u op uw leeftijd in Amerika een relatief jonge presidentskandidaat zou zijn? Kriebelt het niet om als ‘kathedraaldenker’ die stap naar de politiek te zetten?

H: Eerst en vooral heb ik aan mijn vrouw beloofd om nooit in de politiek te gaan. Dus ja, ik heb een paar keer die microbe gehad, maar nooit uitgevoerd. Anderzijds is het niet eenvoudig om zaken grondig te gaan veranderen. De taak van een minister is wel een heel zware opgave. Er zijn verschillende partijen en meerdere regeringen. Je moet dus altijd compromissen vinden en ik weet niet of dat aan mij besteed is. Gelukkig moeten wij in het bedrijfsleven niet om de 4 jaar opnieuw verkozen worden. Mochten wij door het grote publiek of onze werknemers verkozen moeten worden, zouden we ook niet zo op de lange termijn kunnen denken. Ik weet niet of ik een goede politicus zou zijn.


“Gelukkig moeten wij in het bedrijfsleven niet om de 4 jaar opnieuw verkozen worden.”


K: En dan is er natuurlijk ook de de impact van sociale media, waar in 1998 nog in de verste verte geen sprake van was… Hoe kijkt u daar als 75-jarige naar?

H: De opkomst van computers, was bijvoorbeeld iets waar ik altijd als eerste bij was. Ik heb nog voordrachten gegeven aan Syntra over hoe men moest werken met een computer. Ik ben die informatietechnologieën altijd blijven volgen. Bij Barco hadden wij trouwens altijd een vijfjarenplan. Tijdens die besprekingen keken we altijd naar:  “Welke uitvinding of vernieuwing kan onze business ernstig verstoren?” We zijn dus altijd zeer gevoelig geweest voor veranderingen in de informatica. Barco was al in de jaren 90 met Artificiële Intelligentie bezig, maar dat is toen niet kunnen doorbreken. Onze computers hadden niet genoeg rekenkracht, maar we waren er al mee bezig.

K: Dat woord bestond toen al?

H: Ja hoor, we werkten al samen aan artificiële intelligentie met universiteit van Gent. Mijn broer was daar prof en hoofd van het lab dat zich bezighield met AI. We hebben geprobeerd textiel te automatiseren, maar zoals ik al zei, waren de computers toen niet krachtig genoeg. Daarom ben ik vernieuwingen altijd blijven volgen. Ik had ook één van de allereerste Ipads. Ik had de intentie om er boeken mee te lezen, maar dat is nooit gebeurd. Ik zag wel onmiddellijk de voordelen om een vertegenwoordiger een tablet mee te geven. Zo kon hij alles snel opvolgen, terwijl hij ergens op baan was. Als het gaat over sociale media, dan moet ik toegeven dat ik het onvoldoende beheers om het nog te gebruiken. Daarin merk ik dat leeftijd wel een rol speelt. Ik had er gisteren bij een bedrijf nog een interessante brainstorm over. Ik zei toen ook: “ Je moet iemand nemen die tussen de 20 à 30 jaar is. Die gaat daar veel meer thuis in zijn, dan een dertiger”. Net zoals die AI. Je mag daar geen schrik van krijgen, je moet je er gewoon in verdiepen. Zodoende dat je weet: “hoe maak iets op een manier dat mensen er snel en makkelijk gebruik van kunnen maken?”.


“Successen zijn altijd gebouwd op keihard werken.”


K: We naderen het einde van dit gesprek. Afsluitend zou ik u willen vragen wat volgens u de grootste bedreiging of kans is? Het is wellicht een moeilijke vraag, maar wat zou u er op antwoorden?

H: Mijn belangrijkste advies, en ik heb het al eerder gezegd, is: durf iets doen, durf dromen en ga er dan ook keihard voor. Geef niet bij de minste hinder op. Want successen zijn altijd gebouwd op keihard werken. Bij Barco kostte iedere vernieuwing minstens 10 jaar. Ik denk dat dat één van de belangrijkste zaken is. Als je wereldwijd succes wil, zal je heel veel hindernissen moeten overwinnen.

K: Samengevat: dromen, ondernemen en niet opgeven. Dat is een mooie gedachte om mee af te sluiten. Ik vond het ongelooflijk boeiend om dit gesprek met u te mogen voeren. Hartelijk dank daarvoor. Ik stel voor dat we binnen 20 jaar terug afspreken, voor een vervolg…